Slechtziendheid (low vision)

Slechtziendheid houdt in dat er aan beide ogen een blijvende, niet te verbeteren, vermindering van de visuele functies is. Hieronder volgt een overzicht van de gradatie van slechtziendheid tot blindheid, volgens de definities van de World Health Organisation (W.H.O.):

  • Matige slechtziendheid: visus lager of gelijk aan 3/10 en hoger dan 1/10.
  • Ernstige slechtziendheid: visus lager of gelijk aan 1/10 en hoger dan 1/20.
  • Zware slechtziendheid: visus lager of gelijk aan 1/20 en hoger dan 2/100.
  • Bijna blind: visus lager of gelijk aan 2/100 of enkel lichtperceptie.
  • Totaal blind: men bezit geen lichtperceptie meer.
  • Er wordt ook gesproken van slechtziendheid bij een gezichtsveld kleiner dan 20°.

Het aantal mensen dat onder de noemer blind of slechtziend valt, neemt elk jaar toe. Dit is vooral te wijten aan de hogere levensverwachting en toenemende vergrijzing van de bevolking. Ouder worden heeft sowieso invloed op de visus… Bij een persoon van 60 jaar met een ‘normale’ visus, bereikt slechts 1/3 van het licht het netvlies, ten opzichte van wanneer deze persoon 20 was. Dit heeft als gevolg dat oudere mensen vaak moeilijkheden hebben in ruimtes met weinig verlichting. Oudere personen passen zich eveneens trager aan wanneer de lichtintensiteit verandert zoals bij van buiten naar binnenshuis gaan. Hieronder worden een aantal mogelijke oorzaken van slechtziendheid kort besproken. Bij elk ziektebeeld wordt door middel van een ‘straatbeeld’ een voorbeeld gegeven van hoe de aandoening door de patiënt wordt ervaren. Deze illustratie tracht zo goed mogelijk de realiteit weer te geven, maar blijft echter een simulatie. Bij elke patiënt kunnen de symptomen zich anders manifesteren, kan de uitval meer of minder uitgesproken zijn.

Veel voorkomende oorzaken van slechtziendheid

Maculaire degeneratie

Maculaire degeneratie, is een zeer vaak voorkomende oorzaak van slechtziendheid. Het komt meestal voor bij oudere personen, en is dan een gevolg van de normale veroudering. De macula ligt centraal in het netvlies; het is het punt waarmee we scherp zien, details zien, kleuren herkennen. Bij aantasting van de macula verliest men dus het “scherp zien”. Het centrale zicht (centrale gezichtsveld) wordt aangetast, het perifere zicht (in het perifere gezichtsveld) blijft bewaard. Leeftijdsgebonden maculadegeneratie tast meestal beide ogen aan, hoewel dit niet tegelijkertijd hoeft. Er bestaan 2 stadia: de droge en de natte fase. De ‘droge’ fase is het geleidelijk aan degenereren (afsterven) van de lichtgevoelige cellen van het netvlies. De ‘natte’ fase is de fase waarin neovascularisaties (= vorming van nieuwe bloedvaatjes) ontstaan die voor bloedingen kunnen zorgen in het oog. Men kan de aandoening niet genezen, een aantal behandelingen kunnen wel voor stabilisering / vertraging van het verloop van de aandoening zorgen.

Diabetische retinopathie

Bij diabetes of suikerziekte kan het lichaam de suikers in de voeding onvoldoende afbreken. Suikerziekte kan ook het netvlies aantasten. Bij diabetische retinopathie kan het fijne netwerk van bloedvaatjes in het netvlies gaan lekken of geblokkeerd geraken. Dit geeft plaatselijk een uitval van functie met verlies van de gezichtsscherpte tot gevolg. De kans op een visuele handicap neemt toe wanneer er weinig controle is op de diabetes. Een bijkomend probleem is dat diabetici door de slechte bloedcirculatie een verminderde tactiele gevoeligheid hebben, waardoor weinig diabetici braille kunnen lezen of aanleren. Een goede opvolging van de suikerziekte zelf, en een goede oogheelkundige opvolging is erg belangrijk om de gevolgen van de ziekte zoveel mogelijk te beperken.

Glaucoom

Bij glaucoom kan de oogzenuw beschadigd raken door verhoogde oogdruk. Hierdoor kunnen zenuwvezels afsterven. Men ziet waziger en de patiënt merkt donkere vlekken op in het gezichtsveld.

Retinitis Pigmentosa

Retinitis Pigmentosa is een erfelijke ziekte met een progressief verlies aan lichtgevoelige elementen van het netvlies. Eerst ontstaat tunnelzicht, later kan ook de centrale gezichtsscherpte dalen. Deze personen ondervinden last bij weinig verlichting maar ook bij te veel verlichting.

Cataract

Bij cataract (‘staar’) wordt de ooglens geleidelijk aan meer troebel. Cataract vormt zich meestal bij oudere personen en is dan een gevolg van het normale verouderingsproces. Het kan echter ook aangeboren zijn of veroorzaakt door een oogtrauma, bepaalde drugs, langdurig gebruik van bepaalde medicatie, straling of suikerziekte. Door de vertroebeling van de lens worden de lichtstralen die op het netvlies vallen, verschillend gebroken zodat dit soms meerdere beelden geeft. Leeftijdsgebonden cataract is vaak bruin of geel gekleurd, dit veroorzaakt verlies van gevoeligheid voor het blauwe spectrum van het licht. Hierdoor worden kleuren anders waargenomen dan ze werkelijk zijn. In de meeste gevallen kan cataract behandeld worden: tijdens een ingreep wordt de lens vervangen door een kunstlens. Een doorsnee kunstlens kan niet accommoderen waardoor een leesbril noodzakelijk blijft. Naast deze oorzaken van slechtziendheid kan het zicht ook ernstig gehinderd worden door andere aandoeningen zoals bijvoorbeeld Hemianopsie of Quadranopsie. Bij hemianopsie is er een uitval van de linker-of rechterhelft van het gezichtsveld. Bij uitval van een kwart van het gezichtsveld (bijvoorbeeld linksonder) heet dit quadranopsie. Vaak is een CVA (cerebro vasculair accident) hiervoor verantwoordelijk. Daarnaast zijn er ook nog tal van andere aandoeningen die kunnen leiden tot blindheid/slechtziendheid: hierbij denken we o.a. aan zware bijziendheid, netvliesloslating, ontstekingen van de oogzenuw, (niet)- aangeboren hersenletsel, charles bonnetsyndroom, traumatische oorzaken, stofwisselingsziekten, CVI, enz.

Symptomen

Niet elk ziektebeeld geeft dezelfde symptomen. Elke aandoening heeft een erg typische verschijningsvorm.
(bron foto’s: www.braille.be)

Centrale uitval van het zicht

Bij macula degeneratie wordt het centrale zicht aangetast, het perifere zicht blijft steeds bewaard. Het herkennen van gezichten wordt moeilijker, lezen en schrijven vraagt veel meer inspanning of lukt niet meer: het lijkt of er letters van woorden plots wegvallen, delen van een zin ontbreken,…

Straatbeeld normaal ziende persoon

Straatbeeld normaal ziende persoon (bron : brailleliga)

Gevorderde macula-degeneratie

Gevorderde macula-degeneratie (bron : brailleliga)

Vergevorderde macula-degeneratie

Vergevorderde macula-degeneratie (bron : brailleliga)

Scotomen (vlekken) in het gezichtsveld

Ten gevolge van diabetes of glaucoom kunnen delen van het gezichtsveld beschadigd raken. Het lijkt of de patient plaatselijk ‘vlekken’ in het gezichtsveld ziet, bepaalde delen worden minder scherp gezien, of zelfs helemaal niet meer gezien, zodat delen vanhet gezichtsveld wegvallen en niet meer worden waargenomen.

Diabetische retinopathie

Diabetische retinopathie (bron : brailleliga)

Tunnelzicht

In een laat stadium van glaucoom of bij sommige vormen van retinitis pigmentosa kan ‘tunnelzicht’ ontstaan. Bij tunnel- of kokerzicht is er een toenemende vernauwing van het gezichtsveld. Het blijft vaak wel mogelijk om kleine lettertjes te lezen, maar de gezichtsveldvernauwing zorgt ervoor dat het lezen van een tekst of zich verplaatsen moeilijk gaat. De persoon met tunnelzicht heeft geen overzicht en moet de ruimte of de te lezen tekst afscannen om tot een totaalbeeld te komen.

Normaal zicht

Normaal zicht (bron : brailleliga)

Evolutie naar een volledig tunnelzicht bij glaucoom

Evolutie naar een volledig tunnelzicht bij glaucoom #1     (bron : brailleliga)

Evolutie naar een volledig tunnelzicht bij glaucoom #2

Evolutie naar een volledig tunnelzicht bij glaucoom #2     (bron : brailleliga)

Evolutie naar een volledig tunnelzicht bij glaucoom #3

Evolutie naar een volledig tunnelzicht bij glaucoom #3      (bron : brailleliga)

Gezichtsvelduitval

Bij hemianopsie is er een uitval van de linker-of rechterhelft van het gezichtsveld. Bij uitval van een kwart van het gezichtsveld (bijvoorbeeld linksonder) heet dit quadranopsie.

HEMI

Straatbeeld bij hemianopsie (bron : brailleliga)

Wazig zicht

Doordat bij cataract de ooglens geleidelijk aan meer troebel wordt, ontstaat een wazig zicht, best te vergelijken met wat je ziet door een vuile bril die je niet kan afzetten.

Straatbeeld bij Cataract

Straatbeeld bij cataract (bron : brailleliga)

Low vision

Tijdens het low vision onderzoek wordt getracht een oplossing te vinden voor problemen die slechtziende patiënten ervaren op vlak van lezen, communicatie, verplaatsing, enz. Er wordt nagegaan wat de mogelijkheden en beperkingen zijn van de patiënt en hoe de restvisus zo optimaal mogelijk aangewend kan worden. Er wordt samen met de patiënt gezocht naar de meest aangewezen hulpmiddelen of aanpassingen, rekening houdend met zijn/haar specifieke mogelijkheden en hulpvragen. Bij een low visionconsultatie is het belangrijk om leesloepen die men tot dusver gebruikte om te lezen en de huidige leesbril mee te brengen.

Hulpmiddelen

Omdat lezen met een gewone brilcorrectie vaak niet meer lukt, en trainingsstrategieën soms niet voldoende zijn moet er soms overgegaan worden naar het gebruik van hulpmiddelen. Er bestaan een heel aantal hulpmiddelen om als slechtziende persoon beter te kunnen functioneren in het dagelijks leven en in het bijzonder op vlak van lezen. Bij consultatie in een Low-Vision centrum wordt er gekeken naar de mogelijkheden en beperkingen die de persoon heeft in functie van de hulpvraag die gesteld wordt. Samen wordt nagegaan welk hulpmiddel voor de persoon in kwestie het meest adequate hulpmiddel is. Een aantal mogelijke hulpmiddelen zijn bijvoorbeeld:

  • Leeslamp met of zonder loep: Een goede taakverlichting is bij lezen van het grootste belang en wordt vaak over het hoofd gezien. Een goede leeslamp die een goed contrast biedt tijdens het lezen, zonder teveel schaduw of warmte af te geven, die richtbaar en wendbaar is, zorgt vaak al voor een eerste verbetering bij een verminderd contrastzicht. Ze wordt dikwijls aanbevolen in combinatie met een ander hulpmiddel.
  • Hand-en standloepes: Loepes bestaan er in vele uitvoeringen, in vele vergrotingen, met en zonder lichtje… en kunnen vaak al een eerste hulp zijn om kleinere druk nog te kunnen lezen bij een verminderd zicht. Hoe sterker de vergroting die de persoon nodig heeft, hoe minder overzicht men behoudt met het lezen met een sterke loep.
  • Loepebrillen: Deze speciale brillen hebben anders dan een gewone leesbril een vergrotend effect.
  • Compacte beeldschermloep: Deze handloep met een ingebouwde camera biedt niet alleen vergroting maar laat ook toe het contrast bij te stellen, te lezen in negatieve leesmodus, enz.
  • Tafelmodel beeldschermloep: Voor patiënten bij wie de gewone hulpmiddelen niet meer volstaan, is er de beeldschermloep. Deze kan vergroten tot vaak meer dan 40 maal.
  • Filterglazen: Deze speciale zonnefilterglazen zorgen ervoor dat bepaalde golflengtes van het zichtbare licht weggefilterd worden. Dit zorgt voor meer comfort voor de slechtziende persoon, en vaak een verbeterd contrastzicht.

Andere hulpmiddelen voor slechtzienden zijn bijvoorbeeld: vergrotings-en spraaksoftware voor de computer, TV-brillen, voorleestoestellen, kleine hulpmiddeltjes om het dagelijks leven te vergemakkelijken (zoals sprekende wekker en horloge, sprekende weegschaal, enz…)

Riziv-erkende low vision-centra in België

  • 1020 BRUSSEL – UVC BRUGMANN Revalidatiecentrum Horus, Pl. A. Van Gehuchten 4 – 02/477.27.81
  • 1340 OTTIGNIES – Points de Vue, Avenue Reine Fabiola 17 – 010/43.77.28
  • 2018 ANTWERPEN – OFTALMOLOGIE MIDDELHEIM CAMPUS DE MARKGRAVE, Markgravelei 81 – 03/248.78.67
  • 2650 EDEGEM – UZ ANTWERPEN Visueel Revalidatiecentrum, Wilrijkstraat 10 – 03/821.33.72
  • 3000 LEUVEN – UZ LEUVEN Revalidatiecentrum voor Slechtzienden, Kapucijnenvoer 33 – 016/33.23.94
  • 4000 LIEGE – ASBL ‘LA LUMIERE’, Rue Sainte-Véronique 17 – 04/222.35.35
  • 7011 GHLIN – ASBL ‘LES AMIS DES AVEUGLES’, Rue de la Barrière 37 – 065/40.31.00
  • 9000 GENT – CENTRUM VOOR VISUELE REVALIDATIE UZ GENT, De Pintelaan 185 – 09/322.29.04

Andere nuttige instanties:

Slechtziendheid en rijgeschiktheid

Om veilig te kunnen/mogen autorijden zijn een aantal wettelijke bepalingen vastgelegd. We vatten hieronder kort een aantal normeringen samen. De volledige bepalingen zijn te vinden in de Koninklijk Besluiten hierover: KB 23 maart 1998 en KB 10 september 2010 tot wijziging van het KB van 23 maart 1998:

Normen GEZICHTSSCHERPTE

Voor de kandidaten van groep 1 (rijbewijs A3, A, B, B+E of G)

  • De chauffeur moet, zo nodig met een optische correctie, een binoculaire gezichtsscherpte van ten minste 5/10 hebben.
  • In uitzonderlijke gevallen kan iemand met een lagere gezichtsscherpte toch rijgeschikt worden verklaard: op voorwaarde dat hij, zo nodig met een optische correctie, een gezichtssterkte van minimaal 3/10 behaalt en voldoet aan de norm van het gezichtsveld. De persoon moet dan ook slagen in een rijtest van een hiervoor gespecialiseerd centrum (CARA).

Voor de kandidaten van groep 2 (rijbewijs C, C+E, D of D+E, of van de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E)

  • De chauffeur moet, zo nodig met een optische correctie, beschikken over een gezichtsscherpte van ten minste 8/10 voor het beste oog en 1/10 voor het minder goede oog.
  • Indien de waarden 8/10 en 1/10 worden bereikt met een optische correctie, dient deze minimale gezichtsscherpte te zijn verkregen door brilglazen die niet sterker mogen zijn dan plus 8 dioptrieën, of door contactlenzen.

Normen GEZICHTSVELD

Het gezichtsveld mag geen defect of vernauwing vertonen. Het meten van het gezichtsveld gebeurt voor elk oog afzonderlijk. Voor de kandidaat met een strabisme gebeurt het meten van beide ogen samen. Indien de kandidaat verplicht is een optische correctie te dragen om de vereiste gezichtsscherpte te bekomen, gebeurt het meten van het gezichtsveld met deze optische correctie. Indien een beperking van het gezichtsveld wordt vastgesteld, moet de chauffeur naar het CARA worden doorverwezen.

Voor de kandidaten van groep 1 (rijbewijs A3, A, B, B+E of G)

Het horizontale binoculaire gezichtsveld dient minstens 120° te bedragen. Vanuit het centrum van dit gezichtsveld dient de amplitude minimaal 50° naar links en naar rechts, en minimaal 20° naar boven en onder te bedragen. De centrale 20° dienen vrij te zijn van enig absoluut defect. Uitzonderlijk kan, op grond van een gunstig advies van de oogarts en een gespecialiseerd centrum, de kandidaat die niet voldoet aan de normen van het gezichtsveld toch rijgeschikt verklaard worden. Als de persoon slechts één oog functioneel gebruikt gelden dezelfde criteria als voor het binoculair functioneren, de persoon kan rijgeschikt verklaard worden door de oogarts.

Voor de kandidaten van groep 2 (rijbewijs C, C+E, D of D+E, of van de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E)

Het horizontale binoculaire gezichtsveld minimum 160° bedragen. Vanuit het centrum van dit gezichtsveld dient de amplitude minimaal 70° naar links en naar rechts, en minimaal 30° naar boven en onder te bedragen. De centrale 30° dienen vrij te zijn van enig absoluut defect. Indien de persoon slechts één oog functioneel gebruikt is hij niet rijgeschikt.

Normen KLEURZIN

Geen enkele beperking

Normen ZICHT BIJ SCHEMERLICHT

Om rijgeschikt te zijn moet men na vijf minuten aanpassing aan de duisternis een gezichtsscherpte vertonen van 2/10, eventueel met een optische correctie. De gezichtsscherpte wordt gemeten voor beide ogen samen. De maximaal toegestane afwijking bedraagt één logeenheid.

Wettelijke verplichtingen van de arts

De arts heeft de plicht om zijn patiënt ervan in te lichten dat zijn lichamelijke of geestelijke toestand niet meer in overeenstemming is met de medische minimumnormen (art. 46 KB 23 maart 1998 en KB 10 september 2010 tot wijziging van het KB van 23 maart 1998 ). Deze moet op zijn beurt zijn rijbewijs inleveren bij de bevoegde overheid, binnen de vier werkdagen na de in kennis stelling ervan. Mag een arts de gerechtelijke instanties op de hoogte brengen indien hij van mening is dat een patiënt niet meer in staat is zich veilig te verplaatsen met een motorvoertuig? In een advies van 15 december 1990 was de Nationale Raad van de Orde van Geneesheren van oordeel dat, “indien u gewetensvol besluit dat de betrokken persoon een ongeval kan veroorzaken met zware gevolgen voor hemzelf/haarzelf of voor derden, rechtvaardigt deze ‘noodsituatie’ dat u de Procureur des Konings op de hoogte brengt van uw twijfels in verband met de rijgeschiktheid van deze persoon”.